Betere triage en meer aandacht voor comorbiditeit nodig bij aanpak wachttijden specifieke cliëntgroepen GGZ

 

Om de wachttijden bij specifieke cliëntgroepen in de GGZ aan te pakken, zijn diverse oplossingsrichtingen mogelijk. Één van de oplossingen is betere triage bij de huisarts. Dat blijkt uit het rapport van bureau HHM dat in opdracht van de landelijke stuurgroep wachttijden onderzoek heeft gedaan naar knelpunten en oplossingen bij vier specifieke cliëntgroepen in de GGZ. Namelijk autisme, persoonlijkheidsstoornissen, trauma en licht verstandelijke beperking (LVB) in combinatie met GGZ-problematiek. 

 

Uit het onderzoek blijkt dat er verschillen zijn tussen de onderzochte cliëntgroepen als het gaat om wachttijden maar er is ook overlap. Binnen alle cliëntgroepen geldt dat cliënten met zwaardere problemen de meeste hinder ervaren van wachttijden. Bij deze groepen is vaak sprake van comorbiditeit waardoor heen-en-weer verwijzingen ontstaan, terwijl juist deze groep gebaat is bij een meer integrale aanpak. Ook wordt deze groep het meest getroffen door de ‘braindrain’  (het vertrek van ervaren en deskundig personeel) vanuit de instellingen omdat hiermee specialistische expertise en capaciteit verloren gaan. 

 

Tussen wal en schip vallen

“Het is een complex probleem en het was lastig om grip te krijgen op de vraag waar het dan precies mis gaat,” zegt Sylvia Schutte, een van de onderzoekers bij HHM. “De manier van organiseren binnen de GGZ blijkt daar deels oorzaak van: specialistische behandeling is vaak gericht op één diagnose, waardoor mensen met meerdere psychische aandoeningen buiten de boot vallen. Er is niemand die die groep zwaardere cliënten volgt en in de gaten houdt hoe lang iemand al wacht, of dat de cliënt wéér op een wachtlijst staat bij een terugval. Er is niet belegd wie verantwoordelijk is bij deze groep cliënten, maar dat zou wel moeten. Het kan niet zo zijn dat er voor deze zwaardere cliëntgroepen niemand verantwoordelijk is. Mensen mogen gewoon niet tussen wal en schip vallen. Zorgaanbieders en zorgverzekeraars hebben hier een rol in.”

Bij de lichtere cliëntgroepen speelt vaker gebrek aan overzicht, zo blijkt uit het onderzoek. Er is veel behandelaanbod, maar door onbekendheid hiervan of door onvoldoende triage komen deze groepen vaker in de specialistische GGZ dan gezien de inhoud van hun vraag nodig is. Ook de bekostiging leidt hier toe.

 

Oplossing door betere verwijzing 

Een belangrijke oplossing zit ‘m wat HHM betreft in een betere – bijvoorbeeld centrale - triage. Door de kennis bij huisartsen over GGZ-problematiek te vergroten, maar ook de mogelijkheid tot  consultatie van een GGZ-specialist te bevorderen voor de huisarts. Hier wordt nu weinig gebruik van gemaakt, doordat er bijvoorbeeld geen afspraken zijn over bereikbaarheid. Door voornoemde maatregelen door te voeren komt een cliënt sneller op de goede plek terecht. Sylvia Schutte: “Het is belangrijk om onderling af te stemmen ‘wie hoort waar’. Maar ook om te accepteren dat niet alles op te lossen is en je je misschien in de behandeling beter kunt richten op ‘herstel’. Bij de zwaardere cliëntgroepen is het daarnaast ook belangrijk dat er de mogelijkheid is om bij een terugval niet weer op een  wachtlijst komen, maar dat de cliënt direct kan worden geholpen.”

 

Meerwaarde onderzoek 

Guus van Bork, beleidsadviseur GGZ bij ZN en in die hoedanigheid lid van de landelijke stuurgroep wachttijden: “Dit rapport geeft heel goed aan waar de knelpunten zitten bij deze specifieke cliëntgroepen. De meerwaarde is dat de onderzoekers constateren dat het vaak om dezelfde knelpunten gaat. Ook wordt duidelijk dat als het spaak loopt, er vaak sprake is van cliënten met comorbiditeit. Daar is samenwerken essentieel. Ik ga in elk geval de zorgverzekeraars dit rapport aanreiken met de suggestie om dit uit te werken in samenwerkingsafspraken in de regio met gemeenten.” VNG, ZN en VWS hebben sowieso afgesproken dat gemeenten en zorgverzekeraars vanaf oktober 2019 geregeld moeten hebben dat ze elkaar op meerdere terreinen namelijk preventie, GGZ en ouderen gaan treffen zodat ze bij de regio passende afspraken  kunnen maken over integrale zorg.

 

Regie nodig

Om het probleem gezamenlijk aan te pakken, is er een vorm van regie nodig. Dit kan een casemanager per cliënt zijn, maar het kan bijvoorbeeld ook via de overbruggingszorg vanuit het zorgkantoor georganiseerd worden. 

Daarnaast is één van de aanbevelingen uit het rapport dat per regio helder moet zijn hoeveel mensen wachten op GGZ-zorg zodat het mogelijk wordt deze groep mensen op de juiste manier te helpen. Daar heeft de stuurgroep al actie op ondernomen, vertelt Guus van Bork:  “We gaan bij alle leden van GGZ Nederland en MEER Ggz een uitvraag doen naar de aantallen wachtenden en hoeveel mensen daarvan te lang wachten. Zo kunnen we gerichter kijken waar de knelpunten zitten en hoe ze op te lossen. In juli of augustus komen we met de cijfers.”

 

Gevoel van ‘een regio zijn’ ontbreekt 

Wat Sylvia Schutte verraste was, dat het gevoel van ‘een regio zijn’, ontbreekt. “Regiogrenzen zijn verschillend voor instellingen, gemeenten en verzekeraars. Terwijl er veel wordt verwacht van een oplossing uit de regio. Maar wat of wie is die regio? Wat mij betreft zouden zorgverzekeraars daar een rol in kunnen spelen. Zij hebben zorgplicht en cijfers over wachtenden en kunnen op basis daarvan partijen bij elkaar brengen.” Guus van Bork pakt de handschoen namens zorgverzekeraars op: “Ik vraag vanuit mijn rol als stuurgroeplid namens ZN aan de zorgverzekeraars dat ze, ook op basis van dit rapport, concrete afspraken gaan maken met aanbieders. Zorgverzekeraars hebben in elk geval toegezegd dat 2020 het jaar van de waarheid moet worden: dan moet op basis van regionale en individuele plannen van zorgaanbieders duidelijk zijn waar er een doorbraak te realiseren is in het terugdringen van wachttijden.”

 

Vervolgonderzoek

Het onderzoek van bureau HHM krijgt een vervolg. Guus van Bork: “Als stuurgroep hebben we besloten dat we ook op andere specifieke doelgroepen met langere wachttijden gaan kijken naar knelpunten en oplossingen. Dit geldt voor eetstoornissen, aandacht- en gedragsstoornissen, bipolaire- en overige stemmingsstoornissen.”

 

Meer informatie over de inhoud van het rapport:

Sylvia Schutte, onderzoeker bureau HHM

(06) 25 05 22 00 |  (053) 433 05 48 | s.schutte@hhm.nl 

 

Download
Rapport specifieke clientgroepen HHM
SS190660-Rapportage-Onderzoek-specifieke
Adobe Acrobat document 845.5 KB