BIJDRAGE JAN KUITENBROUWER OP CONGRES 11 APRIL 2019

 

 

Uitgesproken op het congres Samen sterk in de regio: grip op wachttijden op 11 april 2019

 

DAMES EN HEREN,

 

Ik moest een echoscopie ondergaan in verband met een ontstoken galblaas. Van de huisarts kreeg ik een folder met instructies, die erop gericht waren om je met een op springen staande blaas en zo uitgehongerd mogelijk op die behandeltafel te krijgen. Ik mocht geloof ik drie dagen van tevoren niet meer eten, moest een liter water per uur drinken en 24 uur van te voren stoppen met urineren - ik heb het misschien niet helemaal correct onthouden, maar zo herinner ik het me. Getergd, scheel van de honger en met mijn blaas op 15 atmosfeer, meldde ik mij op het afgesproken tijdstip bij de balie.

Gaat u maar even zitten, er komt zo iemand bij u.

Zítten!?!?

Enfin, er kwam een verpleegkundige die me naar een kamertje bracht, ik kleedde mij uit, ging liggen, en toen verdween zij weer. Vijf minuten: niets. Tien minuten: daar was zij weer. ‘Eh, dokter komt er zo aan hoor…’ 

Kwartier: ‘Ah bent u daar nog? Prima, dokter komt zo.’

Twintig minuten: ‘Hij is onderweg hoor.’ 

Na 25 minuten verscheen de echoscopist, een man van tegen de zestig.

‘Hallo dokter,’ kermde ik, ‘waarom bent u zo laat?’

‘Nou, weet u,’ zei hij, ‘mijn lunch liep een beetje uit.’

Say whaaaaaat?

‘Mijn lunch liep een beetje uit. Maar, dat is wel in úw voordeel, want daardoor ben ik nu zo verkwikt dat ik mij des te beter op dit onderzoek kan concentreren.’

Ik had zin om hem een linkse hoek te geven. Maar ja, dan gaat die echo niet door en kun je weer van voren af aan beginnen. Waarschijnlijk in een ander ziekenhuis.

 

Wachten hóórt om een of andere reden bij de gezondheidszorg. Wachten tot ‘de dokter tijd voor u heeft’.

Je komt het station uit en er en staan dertig taxichauffeurs die allemaal onmiddellijk tijd voor je hebben. Je wilt ergens eten, je jurk laten stomen of een APK voor je auto, en dat kan, vandaag, over twee dagen of begin volgende week. In de gezondheidszorg is dat bijna nooit zo. In de gezondheidszorg moet je wachten. Nergens anders heb je ‘wachtkamers’ - toch? Ja, op de oude stations had je wachtkamers, maar dat was vooral omdat reizigers te vroeg kwamen, voor de zekerheid. Dat was geen wachten, dat was voorzorg.

Ergens op het afgesproken tijdstip verschijnen en dan onbepaalde tijd moeten wachten voor je aan de beurt bent, gebeurt alleen bij Koninklijke audiënties en de dokter. 

Is het misschien een soort placebo-strategie, gebaseerd op het principe dat waar je op hebt moeten wachten, vanzelf hoger gewaardeerd wordt? Honger maakt rauwe bonen zoet, zeggen ze, misschien maakt wachten lauwe soep warmer? 

 

Dus men dacht: als je in de marktsector eigenlijk nooit onnodig hoeft te wachten en in de zorg wel, moeten we in de zorg misschien marktwerking introduceren. Zie de stomerij, zie McDonalds, zie het taxivervoer. Dat is ook wat Hans Hoogervorst beloofde: een einde aan de wachtlijsten. Door marktwerking.  Tja, kennelijk werkt het toch anders. En nu wachten 90.000 Nederlanders op een GGZ-behandeling. 

 

Het Schakelteam Personen Met Verward gedrag vroeg mij enige tijd geleden om iets te zeggen op het congres waarop zij hun hun eindrapportage presenteerden. Ik had het makkelijk. 

Ik geloof niet zo in die Verwarde Persoon die de laatste jaren ineens is opgedoken om de samenleving onveilig te maken. Het is een frame:  een manier om de oorzaak van een probleem bij één specifieke partij te leggen, een ‘dader’, een ‘oorzaak’, een ‘schuldige’, met daar tegenover een slachtoffer, een gedupeerde, namelijk de ‘openbare orde’. Wiens ongerief verder geen punt van discussie is. Verwarde personen verstoren de orde, daar moet iets aan gebeuren. Of zit het probleem misschien bij die orde, eerder dan bij de verwarde persoon? En werkt zo’n frame misschien als een selffulfilling prophecy, waardoor er vanzelf steeds meer verwarde mensen komen? Kortom: ik bevond mij in de gerieflijke  positie van de kritische omstander die de premisse áchter de probleemstelling - ik zou haast zeggen, de vraag achter de vraag - ter discussie kan stellen: is dit ‘probleem’ wel het échte probleem?

 

Helaas heb ik die luxe nu niet. Je kunt dit probleem we proberen te reframen, maar dan ben je wel gewoon een grote hoeveelheid narigheid onder de mat aan het vegen. De wachtlijsten in de GGZ zijn gewoon een gigantisch probleem. Er sterven mensen onnodig op die wachtlijsten. 

 

Ik zat ooit op een terras toen er een bedelaar langs kwam. Aan het tafeltje naast mij zat een man, hij stond op, omhelsde de bedelaar, keek hem innig aan en zei: uit principe geef ik bedelaars nooit geld, maar geloof mij, in gedachten ben ik bij je. Mensen zonder problemen zijn vaak niet de beste mensen om advies te geven aan mensen mét problemen. 

Die man dacht dat zijn oplossing voor het probleem van die bedelaar beter was dan waar die man concreet om vroeg. Dat hij de vraag áchter de vraag wist. 

 

Ik realiseerde mij ook dat ik ooit zelf heb bijgedragen aan de schaarste van psychische zorg. Op de redactie waar ik na mijn studie kwam te werken, viel mij op dat een flink aantal van de oudere collega’s een psychiater hadden. Zij spraken daar openlijk over. Ik kreeg stellig de indruk dat het erbij hoorde. Sterker, dat je eigenlijk niet meetelde als je niet in therapie was. En zo kwam het gevreesde moment waarop een van hen informeerde wie mijn psychiater eigenlijk was. Ja maar, ik héb niks, zei ik. Meewarig keken zij mij aan. Ach, de stakker, die denkt nog dat hij niets heeft. En ja hoor, ik begon iets te krijgen! Mijn geldingsdrang, mijn onzekerheid, mijn faalangst, moest ik daar niet voor behandeld worden? Het kostte enige moeite, maar uiteindelijk had ik mijn huisarts zo ver dat hij me doorverwees naar een psychiater. En daar lag ik, op die spreekwoordelijke divan, mijn wekelijkse uur vol te emmeren, terwijl ergens in mijn GGZ-regio iemand in diepe geestelijke nood te verstaan kreeg dat hij zo spoedig mogelijk geholpen zou worden, maar dat er nog één narcistische intellectueel met statusangst vóór was!

 

Dat vind ik ook een beetje het bezwaar van de boodschap van Dirk de Wachter, de ultrapopulaire psychiater uit Vlaanderen, die grote zalen vult met zijn betoog dat we niet meer kunnen omgaan met ongeluk en verveling, dat wij ontwend zijn om de natuurlijke schaduwzijden van het leven te accepteren, en ten prooi zijn aan de misvatting dat dingen altijd leuk moeten zijn en de mens altijd gelukkig. Dat wij niet meer over ons verdriet en onze frustraties willen spreken met onze naasten, en alleen nog met betaalde professionals. 

De Wachter heeft wel gelijk, maar wat schieten wij eigenlijk op met zijn analyse?

Ongetwijfeld staan op die lange, lange wachtlijsten ook mensen die misschien net zo goed - of beter! - op korfbal zouden kunnen gaan of een hond nemen om wat vaker buiten te zijn. Mensen die wat beter zouden moeten luisteren naar hun  moeder, dat het allemaal wel meevalt en je toch ook moet kijken naar wat er wél leuk is aan je leven. Of naar hun vader die zegt dat je een stukje moet gaan fietsen omdat je van dat gehang op de bank maar gaat piekeren.

Maar er staan ook mensen op voor wie elke week dat zij niet behandeld worden de situatie alleen maar erger maakt, soms met fatale gevolgen. Dat kind met anorexia waarvoor geen plaats is omdat het ‘te gecompliceerd’ is en dan maar weer naar het ziekenhuis moet voor geforceerde voeding, tot het een keer te laat is. Die schizofrene zoon die met messen loopt te zwaaien, en pas wordt opgenomen als hij zijn moeder heeft doodgestoken - zoals een wanhopige vader van de week vertelde in een tv-uitzending van Human. Ik zie zijn ontreddende gezicht nog voor me. 

 

Dat werd mij ook duidelijk uit de briefing van Nathalie en Guus: er zijn tal van projecten en experimenten, waaruit blijkt dat er ook andere vormen van aandacht zijn dan die officiële, langverwachte ‘behandeling’, waar clienten baat bij hebben. Contact met lotgenoten, begeleiding tijdens de wachttijd, de inzet van ervaringsdeskundigen, informatie over de voortgang, zelfregiecentra, Stichting Vriendendiensten, enzovoorts. Geen klinische interventie van een gediplomeerd therapeut, maar domweg de ervaring dat mensen met je bezig zijn. Dat je bestaat, dat je wordt gehoord en gezien. Een aanraking, een vriendelijk woord. Contact. Aandacht.

 

Maar dat is de moeilijkheid: de grote schaarste van deze tijd is niet geld, maar aandacht. 

Op televisie zag ik een portret van een jonge vrouw. Waarom zij geportretteerd werd was me niet duidelijk, we waren bij haar op bezoek, op een klein, ietwat schamel flatje ergens drie hoog achter. Maar Pap, zei mijn dochter, ken je die niet, dat is die-en-die, een van de populairste soapsterren van Nederland. 

‘Goh,’ zei ik, ‘voor een grote ster woont ze nogal bescheiden.’ Mijn dochter begreep dat niet. In haar ogen was zij rijk. Iedereen kende haar, iedereen wilde haar handtekening - dat was toch veel meer waar dan geld? 

Wij leven in een aandachteconomie. Vroeger verscholen rijke mensen zich achter een hoge heg, zij hadden de wereld niet meer nodig, hun luxe was juist géén aandacht. Tegenwoordig verdringen zij zich voor de televisiecamera’s. Gebruiken zij hun geld om voor zichzelf een talkshow te bekostigen, zoals Harry Mens. 

Silicon Valley kent het beroep van de time-spent-engineers, of zoals ik ze noem: aandachtrovers. Die doen de hele dag niets anders dan manieren verzinnen om jou hun website te laten bezoeken, hun app te openen. Met notificatiestructuren, zoals het heet - een like, een mention, een update, een vriendschapsverzoek, een nieuwe volger. Want time spent is money spent. De ware valuta van dit tijdgewricht is aandacht: Iedereen wil het krijgen en niemand wil het geven.

Daarom hebben wij ook zoveel managers. Als communicatieadviseur kom ik bij organisaties: een lange gang met kamers en bureaus - allemaal communicatiemanagers. Als je dan zegt: oké, we hebben die-en-die content nodig, wie gaat dat maken, dan blijft het stil.

- Kun jij dat niet doen?

- Ja nee, ik maak ik niks, ik stuur het aan.

Ik luister niet, mensen luisteren naar mij. 

 

De core business van de zorg, en zeker van de GGZ, is luisteren. Aandacht. Die clienten op die ‘wachtlijst’, waar wachten die eigenlijk op? Op behandeling? Genezing? Of op aandacht? Op mensen naar wie geluisterd wordt, of mensen die luisteren? 

 

‘All good comes to those who wait’, zei mijn moeder altijd. Helaas is dat in de GGZ niet waar, weten wij. Maar zoals ik een jongerencoach onlangs hoorde zeggen: ‘Een beetje aandacht maakt een wereld van verschil.’ 

Zo ben ik de afgelopen dagen veel catchy motto’s tegengekomen waarmee men in de GGZ probeert greep te krijgen op dit probleem. ‘Meten is weten’, ‘Doe meer met ongeveer’, ‘Snappen, anders schrappen’.

Misschien mag ik u er tot slot ook nog ééntje meegeven?

Dat zou dan zijn: ‘In de wacht? Aandacht!’

 

Jan Kuitenbrouwer

 

Jan Kuitenbrouwer is columnist, schrijver en journalist. Sinds zijn bestseller ‘Turbotaal’ is hij een van de meest gelezen schrijvers over taal in Nederland. Van zijn boeken werden in totaal een miljoen exemplaren verkocht. Behalve in de modieuze aspecten van ons taalgebruik, heeft hij zich ook verdiept in taal als middel tot overtuiging. Het beïnvloeden van de publieke opinie, met een scherpe, spraakmakende boodschap. 

www.woordendiewerken.com

 

17 april 2019